Jouw les met Expliciete Directe Instructie (EDI)

Wat moet je weten over EDI?

EDI staat voor Expliciete Directe Instructie. Deze didactiek is zeer effectief om je leerlingen bijvoorbeeld te leren rekenen of bij het aanleren van de spelling- en grammaticaregels. Bijna iedere leerkracht die lesgeeft aan de hand van het EDI-model, zweert erbij. Maar niet voor iedere les of bij elk vak werkt het even goed. In de lesmethodes van Faqta wordt het EDI-model gebruikt als dit goed past bij het leerdoel. Wanneer je bijvoorbeeld een nieuwe woordsoort aanleert, biedt EDI een goede structuur om de leerlingen het concept en de vaardigheid aan te leren. Maar bij sommige leerdoelen is een alternatief instructiemodel passender. Zo wordt een les over jeugdliteratuur of beeldtaal op een taalverkennende manier opgebouwd.  

De fases van EDI

Iedere les met EDI is opgebouwd aan de hand van het volgende stappenplan. EDI werkt alleen als je alle fases doorloopt en voortdurend het begrip bij je leerlingen controleert. Je kunt niet een stap overslaan. Ook niet bij de leerlingen waarvan je denkt dat ze met minder instructie af kunnen. EDI is pas effectief voor een leerling als die alle stappen meedoet (uitgezonderd de eventuele verlengde instructie). Onderstaande stappen zijn algemeen geldend voor EDI maar zijn zo opgesteld dat het in lijn is met hoe EDI is verwerkt in de lesmethodes van Faqta zoals Faqta Nederlands

De basis van Expliciete Directe Instructie

Wanneer je lesgeeft met behulp van Expliciete Directe Instructie volg je een vast aantal stappen met je leerlingen. Je herkent hierin misschien het GRRIM-model (Gradual Release of Responsibility and Instruction Model) wat gebruikt is als theoretische onderbouwing van EDI dat in meerdere didactieken, zoals close reading, terugkomt . Die basis ziet er als volgt uit:

  • Ik doe het (modelen):
    De leerkracht doet de taak voor en legt hardop denkend uit wat hij of zij doet.
  • Wij doen het samen (begeleide instructie):
    De leerkracht en de leerlingen oefenen samen de vaardigheid.
  • Jullie doen het samen (samenwerkend leren):
    Leerlingen werken samen in tweetallen of kleine groepjes aan de opdracht.
  • Jij doet het alleen (zelfstandig leren):
    De leerling past de geleerde vaardigheid volledig zelfstandig toe.

Met EDI werk je klassikaal

Kenmerkend voor EDI is dat je dit met alle leerlingen doet omdat iedere fase essentieel is voor het aanleren van een bepaalde vaardigheid. Het is een interactieve vorm van instructie waarbij je constant klassikaal bezig bent. Met de gehele groep volg je hetzelfde tempo, waarbij je met het GRIM model je leerlingen wel geleidelijk het leerdoel zelfstandig laat inoefenen. Kenmerken voor EDI ten opzichte van andere directe instructiemodellen zijn de kleine lesafsluiting en de controle van begrijp. Daarmee borg je dat de leerlingen een vaardigheid of concept op de juiste manier aanleren. Tijdens de klassikale basisinstructie maak je nog geen onderscheid in niveauverschillen tussen je leerlingen. Pas na de kleine lesafsluiting gaan leerlingen, op hun eigen tempo, zelfstandig met de verwerking aan de slag. 

Meer lezen over EDI?

Het boek Expliciete Directe Instructie 2.0 van Marcel Schmeier is dé praktische gids om de EDI-didactiek goed in te richten. Het biedt leerkrachten concrete handvatten, stappenplannen en direct toepasbare technieken om lessen krachtig en gestructureerd op te bouwen. Of je nu voor het eerst kennismaakt met EDI of de didactiek in jouw school verder wilt verdiepen: het boek vormt een waardevolle leidraad voor de dagelijkse onderwijspraktijk. 

Fase 1: Activeer de voorkennis

Je activeert de voorkennis met betrekking tot een concept, vaardigheid of kennis bij je leerlingen. De voorkennis kun je eventueel testen met een Controle van Begrip-vraag (CVB-vraag).

Fase 2: Deel het lesdoel met je leerlingen

Het is essentieel om dit doel expliciet met de kinderen te delen, bijvoorbeeld door het op het digibord te schrijven. Zo weten de leerlingen wat en waarom ze gaan leren. 

Fase 3: Instructie op het concept

De leerkracht geeft uitleg over het concept. Hierbij wordt de nadruk gelegd op het belang van de les en het aanleren van de vaardigheid. Met CVB-vragen controleer je of je uitleg duidelijk is. 

Fase 4: Instructie op de vaardigheid

De vaardigheid wordt door de leerkracht gemodeld. Dit doe je stap voor stap waarbij je jouw eigen denkproces hardop voordoet. Ook hier zet je CVB-vragen in. 

Fase  5: Begeleide inoefening

De leerlingen nemen geleidelijk het toepassen van de leerstof over. Dit is de overgang van instructie naar zelfstandige verwerking. Denk eraan om hier aandacht te besteden aan het controleren van begrip om te voorkomen dat je leerlingen zichzelf een verkeerde werkwijze aanleren.

  • We doen het samen: Met de leerlingen voer je als leerkracht klassikaal het stappenplan uit bij een vaardigheid of vorm je begrip van het concept. Je doet het gedeeltelijk voor en de leerlingen doen de rest. Je controleert het begrip bij de leerlingen voordat ze gaan inoefenen.
  • Jullie doen het samen: De leerlingen gaan samenwerkend de vaardigheid inoefenen of het concept. Ze laten zo zien dat ze het beheersen.

Fase 6: De kleine lesafsluiting

Dit is een belangrijk controlemoment. Je toetst in deze fase uitgebreid het leerdoel met behulp van CVB-vragen (Controle Van Begrip-vragen). De leerlingen geven hun antwoord bijvoorbeeld op een wisbordje. 

Minimaal 80% van de groep moet het leerdoel beheersen voordat je verder kunt gaan. Anders ga je terug naar de instructie. 
Heeft meer dan 80% van de leerlingen het doel behaald? Dan gaan zij zelfstandig verder met Fase 7: de zelfstandige verwerking. De andere leerlingen doen eerst mee met fase 8: de verlengde instructie, voordat ze zelfstandig gaan werken. 

Fase 7: Zelfstandige verwerking

De leerlingen gaan zelfstandig aan de slag met de verwerking van het leerdoel door middel van opdrachten waarbij ze het geleerde toepassen.

Fase 8: Verlengde instructie

De leerlingen die bij Fase 6: De kleine lesafsluiting het doel nog onvoldoende beheersen krijgen een verlengde instructie. Je geeft extra uitleg en laat de leerlingen oefenen met nieuwe voorbeelden voordat ze beginnen met de zelfstandige verwerking. 

De grote lesafsluiting

Samen met de leerlingen evalueert de leerkracht de les. Er wordt (klassikaal) besproken welke opdrachten lastig waren en hoe die zijn opgelost. De leerkracht toetst bij de leerlingen of de uitleg helder was. Leerstrategieën en werkgedrag worden besproken. Hoe ging bijvoorbeeld het samenwerken? Vervolgens blikt de leerkracht vooruit naar een volgende les. Het maakt de leerlingen bewust van hoe de kennis of vaardigheid binnen de rest van het thema of schoolvak past. De leerlingen laten op hun beurt zien of ze het lesdoel hebben behaald. Zo niet, dan kom je later nog eens terug op het onderwerp door bij de volgende keer dat het vak op het rooster hiermee te starten. 

GRRIM in het kort

Wanneer je instructie geeft volgens het GRRIM-model verschuif je in vier fases de verantwoordelijkheid voor het leerdoel geleidelijk aan van de leerkracht naar de leerling. Het is ook wel bekend als het ‘Ik doe het, Wij doen het, Jullie doen het, Jij doet het’-model. Deze manier van instructie pas je toe bij de EDI-lessen voor rekenen of taal. Wanneer je de close reading-aanpak bij begrijpend lezen toepast, werk je eveneens met GRRIM. 

GRRIM-model

De vier stappen binnen GRRIM

Introductie en modelen

Als leerkracht doe je complexe leesprocessen hardop denkend voor. Je legt uit wat je doet en waarom. 

Begeleide oefening

In deze fase van het proces ga je samen met  de leerlingen klassikaal aan de slag en kijk je of de strategie werkt.

Leerlingen doen het samen

Bij de derde stap gaan de leerlingen samenwerken en doorlopen ze samen het proces. Ze wisselen gedachten hierover uit.

Leerlingen doen het zelfstandig

De leerlingen hebben de complexe strategieën geoefend en gaan deze nu zelfstandig toepassen.

Wat zijn Controle van Begrip-vragen?

Wanneer je tijdens de les vragen stelt als ‘Is dit duidelijk?’ of ‘Begrijpt iedereen wat er bedoeld wordt?’, zullen de meeste leerlingen bevestigend knikken. Maar je weet dan niet zeker of ze het daadwerkelijk snappen. Met een controle-van-begrip-vraag (CVB-vraag) dwing je je leerlingen actief hun begrip van een concept te tonen. Het doel is om binnen enkele minuten na een stukje uitleg te controleren of de leerlingen het snappen. De CVB-vragen vormen een rode draad door de verschillende instructiefases. Je stelt deze vragen op verschillende momenten tijdens je les met EDI. 

CVB-vraag binnen het EDI-model uit Faqta Nederlands, groep 6, thema: Machtsvertoon

Welke stappen volg je voor een goede CVB-vraag?

Uiteraard leg je eerst een vaardigheid of concept kort en krachtig uit.

  • Vervolgens stel je een specifieke vraag die over de zojuist gegeven uitleg gaat.
  • Belangrijk: Bied alle leerlingen een paar seconden verplichte denktijd (3 tot 5 seconden bij een eenvoudige vraag en 8 tot 10 seconden bij een moeilijke vraag). Niemand mag nog een hand opsteken of iets op zijn wisbordje schrijven.
  • Je geeft willekeurig een leerling de beurt (bijvoorbeeld m.b.v. ijsstokjes/beurtenbakje) of je laat iedereen tegelijkertijd hun antwoord op een wisbordje schrijven.
  • Je luistert naar de antwoorden en de onderbouwing van de leerling.
  • Als laatste geef je feedback. Je herhaalt het goede antwoord, stelt de instructie bij of legt het meteen opnieuw uit wanneer (een deel van) de klas het nog niet snapt.

Zelfvertrouwen vergroten met CVB-vragen

Je geeft bij een CVB-vraag verschillende leerlingen de beurt. Door het goede antwoord van een leerling te herhalen en vervolgens een minder sterke leerling de beurt te geven, krijgt die leerling de kans om zijn begrip actief te ontwikkelen. Je bevordert zo het zelfvertrouwen bij je leerlingen. Ook wanneer je de wisbordjes gebruikt, kun je dit doen. Na een eerste CVB-vraag laat je de leerlingen opnieuw een antwoord geven zodat ze de kans krijgen zich te verbeteren. 

Verschillende soorten CVB-vragen

Binnen het EDI-model wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende soorten CVB-vragen. Je hebt:

  • conceptvragen

  • vaardigheidsvragen

  • verdiepingsvragen of verantwoordingsvragen.

Met conceptvragen controleer je of leerlingen een regel, begrip of definitie begrijpen:

In groep 7 leren de leerlingen over verschillende doelen van een tekst, zoals informeren, amuseren, overtuigen, activeren en instrueren. Van ieder begrip heb je een uitleg gegeven. Een conceptvraag hierbij kan zijn: “Wat is het grootste verschil tussen informeren en amuseren? Schrijf op je wisbordje.”

uit: Faqta Nederlands, groep 7, thema: De allerkleinsten op aarde

Een vaardigheidsvraag gebruik je om te controleren of de leerlingen concrete stappen of vaardigheden kunnen uitvoeren.

In groep 6 leren de leerlingen wat een werkwoordelijk gezegde is en dat dit bestaat uit één of meerdere werkwoorden in een zin. Samen met bijvoorbeeld hun schoudermaatje gaan ze zelf drie zinnen maken met één, twee en drie werkwoorden. Ze schrijven dit op op hun wisbordjes.

uit: Faqta Nederlands, groep 6, thema: Machtsvertoon

Met een verdiepings- of verantwoordingsvraag toets je het waarom achter een antwoord. Zo kun je gokken uitsluiten.

In groep 8 ontdekken de leerlingen wat een bijwoordelijke bepaling is. Je hebt ze uitleg gegeven over wat een bijwoordelijke bepaling is en hoe ze deze kunnen vinden in een zin. Om erachter te komen of ze het concept echt begrijpen, laat je ze niet direct zinnen ontleden. Dan zouden ze kunnen 'gokken'. Door ze in hun eigen woorden uit te laten leggen hoe ze het ontleden aan zouden pakken, controleer je of ze voldoende begrip hebben van het concept.  

uit: Faqta Nederlands, groep 8, thema: De aarde in beweging

Handige hulpmiddelen voor je EDI-les

Jouw vaardigheden als leerkracht zijn het belangrijkst om van je expliciete directe instructie een succes te maken. Daarnaast zijn er handige hulpmiddelen waarmee je jouw les kunt verrijken. 

Wisbordjes

Waar ook in de klas steeds vaker gebruik gemaakt wordt van digitale hulpmiddelen, zijn wisbordjes een ideaal middel om analoog de interactie met je leerlingen aan te gaan. Een wisbordje is een klein whiteboardje waarop leerlingen snel een antwoord schrijven om dit tegelijk aan de leerkracht te tonen. Binnen EDI zijn de wisbordjes onmisbaar bij de Controle van Begrip-vragen (CVB-vragen), maar je kunt ze natuurlijk ook inzetten bij andere lesvormen of quizzen en meer. 

leerling-schrijft-haar-antwoorden-op-een-zelfgemaakt-wisbordje

Wisbordjes kun je kant-en-klaar kopen, maar je kunt ze ook eenvoudig zelf maken.

Beurtstokjes

Als je een vraag aan de klas stelt, zijn het vaak dezelfde leerlingen die hun hand opsteken. Om dit patroon te doorbreken en de betrokkenheid van de hele klas te vergroten, gebruik je beurtstokjes. Beurtstokjes zijn houten ijsstokjes met op ieder stokje de naam van een leerling, waaruit de leerkracht na een vraag willekeurig een naam trekt.

Binnen EDI zijn beurtstokjes essentieel bij het stellen van Controle van Begrip-vragen (CVB-vragen) na de verplichte denktijd. Hiermee voorkom je dat steeds dezelfde kinderen het woord nemen en zorg je dat álle leerlingen actief blijven meedenken. Je kunt dit natuurlijk ook manipuleren door stiekem te kiezen of een andere naam voor te lezen.

Daarnaast kun je de beurtstokjes gebruiken om je leerlingen in wisselende samenstellingen te laten samenwerken. De leerlingen hoeven niet zelf te kiezen wat uitsluiting voorkomt. Bovendien gaat het sneller. Leerlingen leren zo met iedereen samen te werken. Daarnaast laat je de leerlingen natuurlijk samenwerken met hun vaste schoudermaatjes. 

Een lesmethode met EDI ontdekken?

Vraag een zichtzending voor Faqta Nederlands aan. Daarin wordt EDI onder meer toegepast bij taalbeschouwing. Benieuwd hoe dat eruit ziet? 

Onze artikelen

Waarom je context aan taal- en leesvaardigheden moet geven
leerkracht integreert taal en lezen met wereldoriëntatie

Waarom je context aan taal- en leesvaardigheden moet geven

03 augustus 2026 3 min.
Hoe de LIST-methodiek het leesplezier terugbrengt in jouw klas
boekpromotie tijdens een LIST les

Hoe de LIST-methodiek het leesplezier terugbrengt in jouw klas

28 juli 2026 3 min.
Digitalisering biedt middelen om de uitdagingen in het onderwijs aan te gaan
digitalisering in het basisonderwijs

Digitalisering biedt middelen om de uitdagingen in het onderwijs aan te gaan

23 juni 2026 4 min.